Ons Westers (luxepaarden-)hartje maakte een extra sprongetje toen we in het busje naar Kampala wipten voor het weekend.
Warm eten! Een vork! Tanden poetsen en haar wassen met stromend water! Een spiegel (ik prijs mezelf zielsgelukkig met Elien en Helena niet enkel als kapsters maar ook als fashionpolice)! Een licht dat niet op je voorhoofd staat (forgive me- I love you, Mr. Petzl!)! Een toilet dat doorspoelt! Een meubel dat niet als én kleer- én boeken- én medicijn- én voorraadkast én schrijf- én afwas- én toilet- én eettafel fungeert…
En dit na amper één weekje ‘back-to-basics’ (– en kwamen we daarvoor eigenlijk niet naar Afrika?)Geen elektriciteit in ons huisje, dus maakte ik tijdens de rit de (ampere)balans op van een eerste week stage in Lugazi. De kleinschaligheid van het ziekenhuis had een gevoel van ‘betrokkenheid’, ‘van nut zijn’, ‘(beetje) verschil maken’ opgewekt.

Opnieuw hadden we in ons werk op weerstanden gebotst (taal, gebrek aan middelen en organisatie)… maar er heerste door het ervaren van ‘appreciatie’ en ‘dankbaarheid’ een uiterst gunstige spanning in ons circuit.
Deze week bleek tot een zeer krachtige stroombron omgevormd. Ik zinderde nog even na.
Ik voelde me energiek, `close to life` en ‘alive’: een uurtje ervoor de kans gekregen (en gegrepen) een kleine spruit op de wereld te zetten (10 vingertjes en 10 teentjes, oef alles erop en eraan): navelstreng doorsnijden, onderzoeken, ademhaling wat moeten stimuleren (nog nooit een baby zo graag horen schreien!), wegen, meten, inwikkelen, aan een stralende mama presenteren… Ik, al even glunderend, had zelf een naam mogen kiezen. De in België populaire ‘Thomas’ was de eerste (gepaste) die me te binnen schoot…

(ik hoop dat hij er later blij mee is.)
Zijn mama schonk me alvast een goedkeurende blik, nadat eerst ietwat afprijzen maar vooral ongeloof en onbegrip in haar ogen te lezen waren geweest – haar oorspronkelijke vraag luidde namelijk wat de namen van mijn kinderen waren.
Op het I-pod‘shuffle’tje in mijn oren waren een aantal Belgische klassiekers aan de beurt. En alsof ze me achtereenvolgens een aantal suggesties voor meisjesnamen wilden doen, smeekte Koen Wauters (weet je nog waar die `F` in ons alfabet voor stond?) een meid om hem aan te kijken (want hij ligt te janken, languit op de planken), bezong Luc De Vos een meisje dat niet van afwassen hield, en verklaarde Stijn Meuris zijn liefde aan eentje dat rond zijn planeet vloog.
Toen we in Kampala aankwamen, merkte ik dat de busrit me opnieuw een stoffig- ‘fond de teint’ laagje had opgeleverd. Ik zag in de spiegel in een flits een 11-jarig meisje staan dat zich, in de badkamer, op een stoel (want de spiegel boven de lavabo reikte maar tot haar neusbrug), aan de poederdoos van haar moeder had vergrepen. ‘Less is more’, had mijn mama me op het hart gedrukt toen ze toen me betrapte. Ik had echter meer aandacht voor het toedraaien van het potje van haar dure dagcrème (ongeveer de helft ervan bevond zich namelijk precies onder die blush en fond de teint) dan voor dat eerste make-up advies, en was ook heel opgelucht dat ik die gigantische antieken gouden oorbellen net op het nippertje van mijn oren had kunnen halen.
#Later als ik groot ben…#’s Avonds liepen we in de bar een Amerikaanse tegen het lijf die ons ook op de trip naar Kidepo had vergezeld. ‘Sportjournaliste’, zo had ze zichzelf voorgesteld tijdens het typische kennismakingsrondje in de auto. Ik had er spontaan kippenvel van gekregen.
Het bleek aanvankelijk om een soort overlevings-camouflage-strategie van mijn lichaam te gaan (het leek namelijk even alsof een dozijn pas uit de kwekerij ontsnapte kippen zich op de achterbank had genesteld). De combinatie van haar accent én babbelziekte én de 4-dagen(!)-durende autorit naar en van Kidepo kon ook best tellen als survival-avontuur, geloof me. (sorry N., verder ben je echt een schat…)
Maar de verhalen over haar beroepsleven spraken weer tot de verbeelding…
#Later als ik groot ben…#‘Sportjournaliste’ heeft in mijn ‘Wat wil ik later worden?’-lijstje lang de kop gevormd. Haar demarrage uit het beroepen-peloton moet ergens plaatsgevonden hebben na eerdere ontsnappingspogingen van ‘prinses’, ‘zeemeermin’, ‘balletdanseres’, ‘dolfijntrainster’, ‘snoepwinkeluitbaatster’, ‘onderwijzeres’, ‘Spice Girl’ (even een schijnaanval), ‘fotografe’ en ‘archeologe’. Ze was pas de laatste meters ingelopen, en had de ultieme spurt slechts met enkele bandbreedtes verschil op de meet, van ‘arts’ verloren (fotofinish).
En boven die gele trui, zou dus op het podium (7 jaar later), een witte kiel aangetrokken worden…
Maar ik zag het opnieuw helemaal voor me, ‘sportjournaliste’, een professioneel leven zo dicht bij Actie, Passie en menselijke Emotie: bij het gevloek van voetbaltrainers aan de zijlijn; bij de tranen van verdriet na die gemiste vrije worp, na twee valse starts, na een verkeerde aflossing, of van een kunstschaatser die net bij die laatste sprongenreeks zijn evenwicht verloor; tranen van vreugde op het gras van Wimbledon na een ace op ‘championship point’, na een ippon in de laatste seconden in de kamp om de wereldtitel...
En natuurlijk de gespierde, afgetrainde, bezwete, stoere lichamen en de interviews onder de douche… (Zei ik al dat ik een echte Puber was? Zeg dus maar P-U-B-E-R).
‘Geneeskunde’ was in elk geval een ‘volwassener’ en realistischer alternatief (en als sportarts mag je toch ook in de kleedkamers?;)
En… ook die keuze bezorgde me nog steeds indrukwekkende loslatingen van (nor)adrenaline, serotonine en dopamine én ongeziene pieken van endorfines. Ik bedacht me dat ook ‘dokter worden’ een verwezenlijking van een droom was (en hoeveel dichter dan als ‘psychiater’ kan je bij die ‘menselijke Emotie’ komen?) En besefte dat ook het avontuur dat ik nu in Uganda beleefde, deel uitmaakte van die fantasie.
#Later als ik groot ben…#Na de muzikale inleiding was ook de rest van het weekendje op en top verticaal! zwart-geel-rood gekleurd; zaterdagavond Belgian night...

(maandelijkse bijeenkomst van de Belgen in Uganda, onder toeziend oog van de Belgische ambassadeur) met frietjes met mayonaise, zondagmorgen een Belgisch regenweertje en zondagmiddag bij een piepend zonnetje een ijsje met Belgische chocolade…
en toegegeven… ook de luxe voelde een beetje als ‘thuis’…
Het was een weekend geweest met thuiskomen en kinderdromen…
Maandagmorgen, op weg naar Lugazi, dacht ik aan de kleintjes in het ziekenhuis, de zieke kindjes die doch met guitige en fonkelende oogjes op ons wachtten in hun bedje. Wat waren hun dromen en toekomstwensen?… Wat zou op hun lijstjes op één prijken?
#Later als ik groot ben…# Raymond Van Het Groenewoudt sneed -op zijn beurt- één van de zangstukjes over Vlaamse meisjes aan:
‘Twee meisjes op het strand, ze lezen modebladen, ze kijken in het rond,
ze dromen van een prins…
Twee meisjes op het strand, ze lezen modebladen, ze kijken in het rond,
ze dromen…’
Ik hield mijn adem in. Nooit was de sarcastische, wrange toon van dit lied me zo duidelijk…
Ik deed ook Raymond verstommen, maar de scherpe, schrille klank dijde ver uit.
-eva-